Overslaan en naar de inhoud gaan

‘Buonasera ragazzo?’ Niks daarvan. ‘Moi’, zei hij - Henk Foekens (1960-2025)

Over de eerste ontmoeting met mijn schoonvader in 2003, na een zinderende fietstocht vanaf mijn huis. Ik was 17 en zenuwachtig. Hij overleed zaterdag 26 april 2025 op 64-jarige leeftijd. Ik droeg dit verhaal afgelopen januari voor op het feestje van zijn jongste dochter, mijn vrouw Jil, zonder te weten dat het in zekere zin ook zijn afscheidsfeest bleek te zijn. 

Die decemberavond pakte ik mijn blauwe racefiets uit de schuur, drukte mijn discman op play, zei overtuigd in mezelf ‘play fucking loud!’ en reed Zonplein West uit. De eerste klanken van het nummer brachten mijn hartslag omhoog, als een broodnodige warming-up, een hoopvol intro, waarbij ik voelde dat ik begrepen werd. 

Ik sloeg linksaf richting het gele grind van het fietspad, geheel in lijn met de ecologische gedachte van de wijk, waar ik aan het eind de contouren zag van de uitkijktoren op de heuvel. De route naar haar huis kon ik al blindelings fietsen. Ik had al een paar keer geoefend. De laatste keer was een poging om weer een stuk dichter in haar buurt te komen. Bij de counter van de Edah kocht ik een roos en een klein kaartje. In recordtijd schoot ik naar haar huis, drukte mijn discman al voor het laaste couplet op stop en sms-te: ‘Kijk achter de biobak’. Aan de stengel had ik een kaartje gehangen met ‘Gefeliciteerd met je nieuwe zaak’. Het was een gokje om een lach op haar gezicht te toveren en daarmee haar hart te winnen, maar eentje waarvan ik wist dat ik hem moest nemen.

En nu, twee dagen later nog maar, zou ik tot verder dan de biobak mogen. Ik trapte, telde de coupletten en schoot door het donker met de volle koude wind mee richting de lichtmasten van de voetbalvelden. Het waaide hier altijd, de wilgen hadden nog maar een paar jaar de tijd gehad om te groeien en beschutting te bieden. Mijn oorlellen deden pijn, maar mijn haren moesten zo netjes mogelijk blijven, dus een muts was geen optie. Door mijn koptelefoon heen hoorde ik de klanken van het fluitje van een trainer, gevolgd door gevloek richting zijn jeudgspelers: ‘Verdomme jongens! Het lijkt wel een kleuterklas. Voetbal is een contactsport hé. We zijn hier verdomme als kerels onder mekaar, dat gezever bewaar je maar voor bij je vriendinnetje!’ 

Mijn oorlellen deden pijn, maar mijn haren moesten zo netjes mogelijk blijven, dus een muts was geen optie

Met mijn handen in de beugels van mijn stuur profiteerde ik volop van de meewind. Bij het kruispunt waar het allemaal echt begonnen was, de dag voor Sinterklaas, zag ik dat het Zilvermeer door de wind werd opgestuwd, de golven raasden over het kleine zandstrandje. Twee winters geleden was het nog maar, dat ik in mijn eentje over de sloten tussen de weilanden door had geschaatst en net voor het donker klunend het fietspad overstak naar de grote plas, het Zilvermeer, dat volledig was dichtgevroren. Het  krakende zwarte ijs maakte geluid als een orka dat in de honderden meters diepe zee verscholen lag.

Bij het Zilvermeer pakte ik met verkleumde vingers mijn Nokia: 6 minuut 13 nog maar. Het zou makkelijk lukken. Hoe vaak was ik hier niet rechtdoor gefietst naar school en had ik geen tel aan Jil gedacht? Dat kon ik me nu niet meer voorstellen. En als de leraren het wat meer in haar hadden zien zitten, was het mijn enige reden geweest om hier langs te komen. Na de dood van haar moeder was haar verzekerd dat het beter was geen HAVO te doen. ‘Doe maar een niveautje lager,’ hadden ze op school gezegd. En omdat ze na haar VMBO-diploma dit wilde rechtzetten, kwamen wij elkaar alsnog in de pauzes tegen. 

Bij het Zilvermeer pakte ik met verkleumde vingers mijn Nokia: 6 minuut 13 nog maar

Ik sloeg rechtsaf. Het fietslied was ook afleiding van de spanning. Dan kon ik me richten op mijn snelheid, dan wist ik dat ik bij het zevende couplet voorbij de laatste lichtmasten moest zijn om het te halen. Als er geen tegenwind stond. En alle tijd dat ik aan dat soort dingen dacht, hoefde ik niet te denken aan de dingen die ik helemaal niet leuk vond. Waar ik als een berg tegenop zag zelfs. De schrik sloeg me om mijn hart toen ik bijna Beijum binnenreed en me realiseerde dat ik straks voor het eerst haar vader zou zien. Is dat dan meteen ook je schoonvader? En, hoe noem je dan een dode schoonmoeder? 

‘Je moet je wel voorbereiden’, had Jil tegen me gezegd toen we het over haar vader hadden. ‘Hij drinkt bier, zijn tweede vrouw is net dood, hij werkt de hele week, beunt bij op zaterdag, voetbalt nog en heeft drie grote kinderen thuiswonen.’ 

In mijn fantasie, toen alles nog onmogelijk was, leek het me wel leuk, zo’n drukke vader die met brede gebaren alles wat hij vond de ruimte in slingerde. Maar nu ik er bijna was, vond ik dat mijn racefiets wel erg snel over het asfalt rolde. Wat als hij vraagt of ik ook voor Ajax ben? Als hij zegt dat ik niks bij zijn jongste dochter te zoeken heb? 

Wat als hij vraagt of ik ook voor Ajax ben? Als hij zegt dat ik niks bij zijn jongste dochter te zoeken heb?

Ik besloot snelheid te minderen, te denken aan mooie dingen - Jil’s haren, het ijs op het Zilvermeer, het warme Lago Maggiore. Maar al snel dacht ik aan hoe Jil’s vader zou heten. Mauro misschien, of Pablo, Guiseppe? 

Thuis in Lewenborg, aan de veilige kant van de wijkgrens, zag ik voor me dat hij met zo’n verbijsterd handje bij de kin en ‘vaffanculo’ een tirade zou afsteken over het belang van Columbus zijn ontdekkingstocht vanaf de haven in Genua, waarna hij mij nog een sambuca zou inschenken en me een harde beuk op mijn schouder zou geven, die liefdevol of dodelijk kon zijn. 

Ik moest me wel voorbereiden. 
Waarop  dan? 

Het laaste couplet begon, het was kiezen of delen. Belangenverstrengeling, wat moest ik doen? Of ik moest bijschakelen en de laatste honderd meter een sprintje trekken, maar dan was ik er en moest ik daadwerkelijk de drempel over. Of ik bleef op dit slakkentempo hangen en zou nooit voor het einde van het lied - dat me in normale tijden net zo deed opzwepen als het intro - bij haar huis zijn. 

Al snel dacht ik aan hoe Jil’s vader zou heten. Mauro misschien, of Pablo, Guiseppe?

Achteraf was ik trots op mezelf dat ik koos voor een volle sprint. Ik wierp nog een korte blik op de stopwacht van mijn Nokia, minuut elf naderde al, en op de laatste klanken van Dylan’s mondharmonica zette ik aan, met de platte zolen van mijn gympen op de klikpedaaltjes en na een paar flinke halen op de trappers schoot ik als Mario Chippolini weg uit het denkbeeldige spinterstreintje dat me in m’n eigen schaduw hield. Ik stak de autoweg over, vloog de laatste bocht door en precies in de fadeout kwam ik bij Jil’s huis over de finish, die ik in gedachten bij de ongebruikte basket van haar broer in de tuin had getrokken. 

Buiten adem, maar warm, stapte ik van mijn fiets. Terwijl ik mijn Nokia uit mijn jaszak wilde halen om de stopwatch uit te zetten, ging de achterdeur open. Jil’s linkerhand omklemde de klink, ze draaide soepel met de deur mee naar buiten, de kou deed haar heel kort rillen, uit haar mond kwamen vluchtige wolkjes. 

Minuut elf naderde al, en op de laatste klanken van Dylan’s mondharmonica zette ik aan

Met mijn ogen nam ik haar blote voeten in me op, die op de koude stoeptegels trippelden alsof ze over hete kolen liep. ‘Je hebt geen sokken aan’, zei ik bijna, maar ik drukte mijn lippen stevig tegen elkaar aan. Dit mochten niet mijn eerste woorden zijn, op dit bijzondere uur, zo’n groot moment, dat ik haar leven binnen zou stappen. Haar rechtervoet zette ze snel op de deurmat, haar linkervoet stampte ze stevig op een kussentje van overgebleven onkruid, dat ondanks de temperatuur tussen de tegels omhoog was geschoten. Ik zag haar gladde gewassen haren, plat op haar ronde hoofd, alsof ze een eierdopje bedekten. ‘Kom maar binnen hoor’, zei ze nonchalant, ze had alles onder controle. ‘Welkom in m’n nieuwe zaak.’ 

Vluchtig zette ik mijn fiets tegen de biobak en liep achter haar aan. Rechtop lopen, zei ik tegen mezelf, rechtop lopen. Ik stapte langs de blauwe deur, hield met mijn rechterhand de deurklink vast en zette mijn voeten over de drempel. 

Via de bijkeuken en tussen lege kratjes Grolsch, liep ik haar huis in. Op het aanrecht lag een tosti-ijzer met hardgeworden kaas, in de wasbak dreef een halve karbonade in een pan met zeepsop,  twee pijlen prijkten in de roos van het dartbord aan de muur, een enorme zwarte spaarpotmotor sierde het dressoir, op TV was de 71e minuut begonnen van Club Brugge - Ajax. 

Mijn hart klopte in mijn keel, maar ik moest koelbloedig lijken. Kalm en nuchter. Het liefst ging ik de confrontatie uit de weg, maar ik had die hele koninginnerit vanaf mijn huis naar hier doorstaan en kon niet meer anders dan de vader van mijn vriendinnetje onder ogen te komen.

Op het aanrecht lag een tosti-ijzer met hardgeworden kaas, in de wasbak dreef een halve karbonade in een pan met zeepsop

Ik keek op en maakte eerst kennis met de rook van zware Van Nelle en daarna met de man die erachter verscholen zat, onderuitgezakt op de zwartleren bank. Hij nam een slok van zijn flesje bier, een hijs van zijn shag. In beeld verscheen Zlatan Ibrahimovic die door Ronald Koeman werd gewisseld. Daarna werd de aandacht op mij gericht, vanaf de bank keken twee samengeknepen ogen vanachter een bril mijn kant op. 

Jil had haar hand al op de deurklink gelegd, ik was in gedachten al lang de trap op gevlucht. Wat zou hij zeggen? Iets onaardigs, waar ik vanwege de lieve vrede niet op kon reageren? Moest ik zelf het ijs breken door iets te zeggen? Of juist niet? Een compliment over zijn dochter? Nee, dat zou raar zijn. Een voetbalweetje? 

Vanuit de rook klonk opeens een stem.
‘Moi’, zei hij. 

Ik verstijfde.

Moi? 

Gewoon moi?

Het leek of ik zonder parachute uit een vliegtuig was gesprongen en minutenlang draaide en tolde, me voorbereidend op een ongenadige harde klap op de grond, zoveel bombarie - maar ik op een of andere manier op beide benen terecht kwam en niemand doorhad wat voor een groot wonder zojuist was gebeurd.

Mijn schoonvader bleek gewoon Henk. Geboren en getogen Groninger. Stadjer. Loodgieter bij installatiebedrijf Bakker. Voormalig talentvol keeper van VV de Oosterparkers. 

‘Buonasera ragazzo, come stai?’ Niks daarvan. ‘Moi’, zei hij.

Jil zweeg, opende de gangdeur en liep om de hoek de trap op. Daar moest ik ook heen. Rechtoplopen, rechtoplopen. Je hebt de ene finish gehaald, zei ik tegen mezelf, deze gaat ook lukken. 

‘Moi, fijne wedstrijd’, zei ik zo snel als ik kon en sloeg de deur achter me dicht.

Afbeelding